Communicatielexicon met do- en don't-woorden: betekenis en toepassing
Een communicatielexicon legt per doelgroep vast welke woorden je gebruikt en vermijdt. Lees hoe je do- en don't-woorden onderbouwt, toetst en onderhoudt.

Teksten van verschillende teams lopen vaak uiteen in woordkeuze: de een schrijft 'eigen bijdrage', de ander 'kosten' en een derde 'verrekening'. Elk van die woorden kan bij je doelgroep iets anders oproepen. Een communicatielexicon legt vast welke woorden je bewust gebruikt, welke je vermijdt en waarom, zodat die keuze niet bij elke tekst opnieuw toevallig valt.
Een communicatielexicon is een onderbouwde woordenlijst per doelgroep of thema. Het legt vast welke woorden je bewust gebruikt (do-woorden), welke je vermijdt (don't-woorden) en welk alternatief je kiest, met de reden en herkomst van elke keuze.
Neurofactor gebruikt het lexicon als werkinstrument: elke keuze verwijst naar onderzochte associaties van de doelgroep. Onderzoek naar framing laat zien dat woordkeuze oordelen kan verschuiven, maar die effecten verschillen per context en per groep. Een lexicon is daarom een set toetsbare hypothesen, geen lijst met woorden die altijd werken.
Wat is een communicatielexicon?
Een communicatielexicon legt per doelgroep of thema de woorden vast die ertoe doen voor de keuze die je wilt ondersteunen. In dit artikel is het een Neurofactor-werkdefinitie. De praktijk kent vergelijkbare hulpmiddelen, zoals schrijfwijzers met do's en don'ts. Een vaste wetenschappelijke oorsprong van de term 'communicatielexicon' hebben we niet gevonden.
Het lexicon kent drie soorten vermeldingen:
- Do-woorden: woorden die bij de doelgroep de bedoelde betekenis oproepen en die je bewust en consequent gebruikt.
- Don't-woorden: woorden die je vermijdt omdat ze een ongewenste of verwarrende associatie oproepen, altijd met een voorkeursalternatief.
- Let-op-woorden: woorden die je niet kunt missen, zoals vaste termen uit voorwaarden, maar die een vaste uitleg nodig hebben.
Anders dan een gewone schrijfwijzer vraagt een lexicon per woord: wat roept het op bij deze doelgroep, in deze keuzecontext, en hoe weten we dat?
Waarom woordkeuze ertoe doet: framing
Framingonderzoek laat zien dat logisch gelijke formuleringen tot andere keuzes kunnen leiden. In het bekende experiment van Tversky en Kahneman (1981) kozen deelnemers tussen twee programma's tegen een ziekte. Werd de zekere optie beschreven als '200 mensen worden gered', dan koos 72 procent ervoor (N = 152). Werd dezelfde uitkomst beschreven als '400 mensen sterven', dan koos 22 procent ervoor (N = 155). Volgens de auteurs hangt het frame deels af van de formulering en deels van normen, gewoonten en kenmerken van de beslisser.
Dichter bij woordkeuze ligt attribuutframing. In een studie van Levin en Gaeth (1988) beoordeelden consumenten gehakt gunstiger als '75% mager' dan als '25% vet'. Het effect werd kleiner nadat ze het vlees hadden geproefd. Woorden wegen dus vooral zwaar als mensen weinig andere informatie hebben.
Een meta-analyse van Kühberger (1998) over 136 studies vond een klein tot middelgroot gemiddeld effect, sterk afhankelijk van de onderzoeksopzet.
Taalkundige Lakoff (2010) stelt dat woorden frames oproepen en dat het ontkennen van een frame dat frame juist activeert. Dat is een theoretische positie, geen experiment. Zijn beschrijving van frames als hersencircuits nemen we niet over: met een woordenlijst kun je dat niet vaststellen.
Labels: één woord, verschillende groepen
Schuldt, Konrath en Schwarz (2011) vroegen in een Amerikaanse survey (N = 2.267) naar 'global warming' of naar 'climate change'. Bij respondenten met een Republikeinse partijvoorkeur vond 44,0 procent het verschijnsel echt bij 'global warming' en 60,2 procent bij 'climate change'. Bij Democratische respondenten maakte de term nauwelijks verschil.
Villar en Krosnick (2011) vonden in de volledige Amerikaanse steekproeven geen verschil in ervaren ernst tussen beide termen, wel tegengestelde patronen per partij. Ook in een Europese survey in 31 landen maakte de term geen verschil.
De les voor een lexicon: een woordeffect kan in de ene groep optreden, in de andere niet en soms zelfs omdraaien. Werk daarom per doelgroep.
Woordassociaties en semantische netwerken
Wat een woord oproept, hangt af van de verbindingen die het bij iemand heeft. Een associatie is zo'n verbinding tussen een woord of begrip en andere ideeën, gevoelens of ervaringen. In een netwerkmodel is elk begrip een knooppunt dat via verbindingen andere begrippen kan oproepen.
Het project Small World of Words verzamelde voor ruim 12.000 Engelse woorden meerdere associaties per deelnemer, van 83.864 deelnemers na kwaliteitscontrole (De Deyne e.a., 2019). Er bestaat ook een Nederlandse dataset. Zulke normen tonen wat een woord gemiddeld oproept in een brede populatie. Voor een lexicon is dat een startpunt: jouw doelgroep kan in een specifieke keuzecontext anders reageren, dus onderzoek je de kernwoorden bij de doelgroep zelf. Lees in Hoe meet je associaties? welke methoden daarvoor bestaan.
Wat staat er in een communicatielexicon?
Neem alleen woorden op die ertoe doen voor de keuze van de doelgroep, en leg per woord dezelfde velden vast.
| Veld | Wat je vastlegt |
|---|---|
| Woord of formulering | Het woord zoals het in teksten voorkomt |
| Status | Do, don't of let op |
| Voorkeursalternatief | Het woord of de uitleg die je in plaats daarvan gebruikt |
| Doelgroep en context | Voor wie en in welke situatie de keuze geldt |
| Onderbouwing | De associatie die de keuze verklaart, met bron en datum |
| Toetsstatus | Hypothese, getoetst of herzien |
| Beheer | Eigenaar, versie en datum van de laatste controle |
Een regel zonder onderbouwing is een smaakvoorkeur; markeer die als 'nog te onderzoeken'.
Lexicon, tone of voice, vakjargon en kernboodschap
Een lexicon raakt aan andere instrumenten, maar beantwoordt een eigen vraag.
| Instrument | Vraag die het beantwoordt | Niveau |
|---|---|---|
| Communicatielexicon | Welke woorden gebruik en vermijd je, en waarom? | Woord en formulering |
| Tone of voice | Hoe klink je: toon, stijl en aanspreekvorm? | Hele tekst |
| Vakjargon en afkortingen | Welke vaktaal gebruikt en begrijpt de doelgroep zelf? | Taal van de doelgroep |
| Kernboodschap | Wat is de ene hoofdgedachte voor deze doelgroep? | Inhoud |
| Gecontroleerd vocabulaire | Welke term staat voor één begrip, zodat informatie vindbaar blijft? | Terminologie |
Het onderdeel vakjargon in een doelgroepkaart beschrijft welke woorden de doelgroep gebruikt; het lexicon beslist welke woorden jij gebruikt, vaak met vakjargon als input.
Wat je leert van terminologiebeheer
Het beheren van vaste termen is in de informatiewetenschap een eigen vakgebied. De Amerikaanse norm ANSI/NISO Z39.19 geeft richtlijnen voor inhoud, weergave, opbouw, testen, onderhoud en beheer van eentalige gecontroleerde vocabulaires. Die dienen vooral het terugvinden van informatie, niet het overtuigen van een doelgroep.
Voor een communicatielexicon nemen we er de gedachte uit over dat een woordenlijst gebouwd, getest, onderhouden en beheerd wordt. Als redactioneel advies betekent dat:
- kies per betekenis één voorkeurswoord en noteer gangbare synoniemen met een verwijzing naar dat woord;
- wijs een eigenaar aan die wijzigingen goedkeurt;
- houd een wijzigingslog bij, zodat je later weet waarom een woord van status veranderde.
Zo bouw je een communicatielexicon op
- Bepaal doelgroep, thema en keuzecontext. Een lexicon voor nieuwe klanten bij een eerste aankoop is een ander lexicon dan voor bestaande klanten bij een verlenging.
- Verzamel de woorden die nu worden gebruikt. Kijk in eigen teksten, klantvragen en gespreksverslagen, en noteer welke woorden de doelgroep zelf gebruikt.
- Kies de kernwoorden. Selecteer de woorden die het meest bepalen hoe de keuze wordt begrepen. Een te lange lijst wordt zelden consequent toegepast.
- Onderzoek de associaties. Gebruik bijvoorbeeld een vrije-associatietaak of interviews bij de doelgroep zelf, niet alleen bij het eigen team.
- Bepaal status en alternatief. Geef elk woord een status, een voorkeursalternatief en de reden, met verwijzing naar de bron.
- Leg de toetsing vast. Noteer per keuze dat het een hypothese is en hoe en wanneer je die toetst.
Zo toets en onderhoud je het lexicon
Toets een keuze door tekstvarianten te vergelijken die alleen verschillen in het betreffende woord. Bepaal vooraf welke uitkomst telt, bijvoorbeeld begrip, de associaties die de tekst oproept of het aantal vervolgvragen. Analyseer de uitkomsten per doelgroep, omdat een gemiddeld nul-effect tegengestelde effecten in subgroepen kan verbergen. In Hoe vertaal je doelgroepinzichten naar toetsbare boodschappen? lees je hoe je zo'n toets opzet.
Herzie het lexicon periodiek en bij aanleidingen zoals nieuwe klantvragen, een gewijzigd product of nieuwe regelgeving. Een don't-woord dat geen problemen meer oplevert, mag terug naar 'let op' of verdwijnen; noteer de wijziging met reden en datum.
Fictief voorbeeld: een zorgverzekeraar en het eigen risico
Dit voorbeeld is fictief. Er zijn geen uitkomsten bekend.
Situatie. Een zorgverzekeraar ziet veel vragen nadat verzekerden een rekening voor hun eigen risico ontvangen. De teksten gebruiken door elkaar 'eigen risico', 'verrekenen', 'openstaand bedrag' en 'zelf betalen'.
Keuzevraag. Welke woorden gebruikt de verzekeraar rond het eigen risico voor verzekerden die voor het eerst zorgkosten maken, en welke voor verzekerden die dat jaarlijks doen?
Beschikbare informatie. Bestaande teksten, klantvragen en de woorden die verzekerden daarin zelf gebruiken.
Aanpak. Het team kiest vijf kernwoorden en laat beide groepen er vrije associaties bij geven, aangevuld met korte interviews. 'Eigen risico' is een vaste term in de voorwaarden en kan niet weg. Het krijgt daarom de status 'let op', met een vaste uitleg zoals 'het bedrag dat je eerst zelf betaalt'.
Mogelijke interpretatie. Verbindt de eerste groep 'verrekenen' vooral met een onverwachte afschrijving, dan wordt het een kandidaat-don't-woord met 'we sturen je een rekening' als alternatief. Roept het bij de tweede groep geen bezwaar op, dan geldt de keuze alleen voor de eerste groep.
Vervolgstap. Het team toetst twee briefvarianten op begrip en vervolgvragen, per groep. Pas daarna verandert de status van 'hypothese' in 'getoetst'.
Grenzen en veelgemaakte fouten
- Geen magische woorden. Framingeffecten zijn gemiddeld klein tot middelgroot en hangen af van context en opzet. Een woord dat in één studie werkte, werkt niet vanzelf bij jouw doelgroep.
- Ervaring weegt mee. Bij Levin en Gaeth werd het woordeffect kleiner na het proeven. Een beter woord verhelpt geen slechte ervaring.
- Geen hersencircuit per woord. Woorden activeren niet automatisch een specifiek hersencircuit; een lexicon doet daar geen uitspraken over.
Veelgemaakte fouten zijn:
- één lexicon voor alle doelgroepen gebruiken;
- don't-woorden zonder alternatief;
- een don't-woord in een ontkenning herhalen, zoals 'geen verborgen kosten';
- algemene associatienormen gebruiken alsof het doelgroepinzichten zijn;
- het lexicon nooit bijwerken.
Conclusie
Een communicatielexicon maakt woordkeuze bewust, consequent en controleerbaar, met onderzochte associaties als basis. Framingonderzoek laat zien dat woordkeuze ertoe kan doen, maar ook dat effecten per context en groep verschillen. Behandel elke vermelding als hypothese: toets haar, en werk het lexicon bij als de doelgroep of context verandert.
Begrippen
- communicatielexicon
- Een communicatielexicon is een onderbouwde woordenlijst per doelgroep of thema. Het legt vast welke woorden je bewust gebruikt (do-woorden), welke je vermijdt (don't-woorden) en welk alternatief je kiest, met de reden en herkomst van elke keuze.
Veelgestelde vragen
Wat betekent communicatielexicon?
Een communicatielexicon is een onderbouwde woordenlijst per doelgroep of thema. Het legt vast welke woorden je bewust gebruikt, welke je vermijdt en welk alternatief je kiest, met de reden en de bron van elke keuze. Het is een werkinstrument van Neurofactor.
Wat zijn do- en don't-woorden?
Do-woorden zijn woorden die bij de doelgroep de bedoelde betekenis oproepen en die je consequent gebruikt. Don't-woorden vermijd je omdat ze een ongewenste of verwarrende associatie oproepen; je noteert er altijd een alternatief bij. Woorden die je niet kunt missen maar die uitleg vragen, krijgen de status 'let op'.
Hoe gebruik je een communicatielexicon in doelgroep- of communicatieonderzoek?
Je onderzoekt welke associaties kernwoorden bij de doelgroep oproepen, bijvoorbeeld met een vrije-associatietaak of interviews. De uitkomsten bepalen de status van elk woord. Daarna gebruik je het lexicon om tekstvarianten te maken die je per doelgroep toetst.
Hoe onderbouw en toets je de woorden in een lexicon?
Koppel elke keuze aan een onderzochte associatie, met bron en datum. Toets daarna tekstvarianten die alleen in dat woord verschillen, met een vooraf gekozen uitkomstmaat zoals begrip of vervolgvragen. Analyseer per doelgroep, omdat effecten tussen groepen kunnen verschillen.
Wat is het verschil tussen een lexicon, tone of voice en vakjargon?
Tone of voice beschrijft hoe je klinkt: toon, stijl en aanspreekvorm. Vakjargon beschrijft welke vaktaal de doelgroep zelf gebruikt en begrijpt. Het lexicon beslist per woord wat jij gebruikt en vermijdt, en gebruikt inzichten over vakjargon daarbij als input.
Bestaan er woorden die altijd werken?
Nee. Onderzoek laat zien dat woordkeuze oordelen kan verschuiven, maar de effecten zijn gemiddeld klein tot middelgroot en verschillen per context en groep. Een lexicon bevat daarom hypothesen die je toetst, geen garanties.
Bronnen
- 1.Tversky & Kahneman (1981). The framing of decisions and the psychology of choice. - Science, 211(4481), 453–458 (1981)
- 2.Levin & Gaeth (1988). How consumers are affected by the framing of attribute information before and after consuming the product. - Journal of Consumer Research, 15(3), 374–378 (1988)
- 3.Kühberger (1998). The influence of framing on risky decisions: A meta-analysis. - Organizational Behavior and Human Decision Processes, 75(1), 23–55 (1998)
- 4.Lakoff (2010). Why it matters how we frame the environment. - Environmental Communication, 4(1), 70–81 (2010)
- 5.Schuldt e.a. (2011). "Global warming" or "climate change"? Whether the planet is warming depends on question wording. - Public Opinion Quarterly, 75(1), 115–124 (2011)
- 6.Villar & Krosnick (2011). Global warming vs. climate change, taxes vs. prices: Does word choice matter?. - Climatic Change, 105, 1–12 (2011)
- 7.De Deyne e.a. (2019). The "Small World of Words" English word association norms for over 12,000 cue words. - Behavior Research Methods, 51(3), 987–1006 (2019)
- 8.NISO (2010). ANSI/NISO Z39.19-2005 (R2010): Guidelines for the construction, format, and management of monolingual controlled vocabularies. - NISO, Baltimore; ISBN 978-1-880124-65-9; herbevestiging 2010 van de norm uit 2005 (2010)
Verwante onderwerpen
Gecontroleerd door: Martijn den Otter · Laatst gecontroleerd: 1-10-2026
Martijn den Otter
Oprichter van Neurofactor. Expert in neuromarketing en consumentenpsychologie.
LinkedIn →