
Waarom voelen twee concurrerende merken voor klanten hetzelfde?
Je hebt een ander product, een ander verhaal en een andere huisstijl. Je concurrent ook. Toch komen consumenten tijdens onderzoek met bijna dezelfde woorden: betrouwbaar, innovatief, kwaliteit, klantgericht. Als twee merken volgens de doelgroep hetzelfde beloven, maakt de volgende reclamecampagne het verschil dan nog duidelijker?
Twee concurrerende merken kunnen voor klanten hetzelfde voelen wanneer zij grotendeels dezelfde associaties oproepen, en geen van beide op het beslissende keuzemoment een eigen, herkenbare betekenis krijgt. Dat hoeft niet te betekenen dat de producten identiek zijn. Het betekent dat de verschillen die het bedrijf kent, onvoldoende in het geheugen of in de keuzecontext van de klant terugkomen. Maar gedeelde associaties zijn niet automatisch een probleem: soms zijn ze juist noodzakelijk om überhaupt als serieuze optie in de categorie te worden gezien.
Deze blog laat zien hoe je die overlap onderzoekt, wanneer je werkelijk moet ingrijpen en waarom een onderscheidende merkclaim niet hetzelfde is als een merk dat in de praktijk wordt herkend en gekozen.
Het merk is verschillend. Het geheugen van de klant hoeft dat niet te zijn
Een marketingteam kijkt naar merken van binnenuit. Het kent de productontwikkeling, de serviceverschillen, de prijsstrategie en de merkwaarden. De doelgroep kijkt meestal van buitenaf en vaak maar een paar seconden. Daar gaat het mis: wat binnen het bedrijf als wezenlijk onderscheid voelt, hoeft buiten het bedrijf geen eigen mentale plek te krijgen.
Neem twee fictieve aanbieders van elektrische fietsen. De eerste investeert in comfort en lange afstanden. De tweede onderscheidt zich technisch door snelle service en een compacte accu. Beide presenteren zich echter met vrijwel dezelfde beelden en woorden: zorgeloos, duurzaam, kwaliteit, vrijheid. Vraag je mensen naar hun eerste associaties, dan kan het gebeuren dat zij aan beide merken dezelfde set termen koppelen.
Dan is niet aangetoond dat de fietsen gelijk zijn. Wel kan het een aanwijzing zijn dat de merkcommunicatie onvoldoende zichtbaar maakt wanneer en voor wie het verschil relevant is. De ene fietser wil zonder zorgen lange tochten maken. De ander wil dat een fiets elke ochtend meteen beschikbaar is. Het productverschil krijgt pas commerciële betekenis als het aansluit op een herkenbare keuzevraag.
Drie verklaringen voor vergelijkbare merkassociaties
1. De merken delen terecht dezelfde categorievoorwaarden
Een bank moet betrouwbaar voelen. Een softwarepakket moet werkbaar lijken. Een elektrische fiets moet veilig en degelijk zijn. Zulke associaties zijn niet automatisch generieke marketingtaal; ze kunnen voorwaarden zijn om überhaupt mee te mogen doen. Een merk dat daar zwak op scoort, verliest misschien de keuze nog vóórdat zijn unieke voordelen aan bod komen.
Daarom is de eerste vraag niet: welke associatie heeft alleen mijn merk? De eerste vraag is: welke associaties moet ieder merk in deze categorie minimaal geloofwaardig bezitten? Noem dit de categorievoorwaarden. Pas daarna kijk je naar mogelijke verschillen.
2. De bedrijven communiceren andere zinnen, maar dezelfde betekenis
'Innovatie die je verder brengt' klinkt anders dan 'slimme oplossingen voor morgen'. Toch kunnen beide slogans in het hoofd van de klant hetzelfde oproepen: modern, professioneel en weinig concreet. De verschillen zitten dan in het taalgebruik van de marketingafdeling, niet in de associatieve betekenis.
Hetzelfde gebeurt bij visuele identiteiten. Twee merken kunnen afwijkende logo's hebben en toch met vergelijkbare fotografie, kleuren, montage, tone of voice en bewijsvoering hetzelfde gevoel oproepen. Het merk kan op zichzelf herkenbaar zijn, zonder dat de boodschap een andere reden geeft om te kiezen.
3. Het werkelijke voordeel wordt niet aan het juiste merk gekoppeld
Een organisatie kan uitstekende service leveren, maar als mensen dat vooral als een eigenschap van de hele productcategorie zien, krijgt het merk daar weinig eigen krediet voor. De klant kan zelfs de reclame onthouden, maar zich later niet herinneren van welk merk de boodschap kwam. Er ontbreekt dan een verbinding tussen de betekenis, de merkafzender en het keuzemoment.
Dat vraagt niet per se om een nieuwe belofte. Soms moet vooral de merkherkenning consequenter worden. Een onderscheidend kleurgebruik, verpakking, geluid, naam of vaste merkstijl helpt pas wanneer mensen het correct aan het merk kunnen koppelen. Een afwijkend ontwerp dat niemand herkent als jouw merk lost het toeschrijvingsprobleem niet op.
Afbeelding
Wat zegt een associatiekaart dat een traditioneel merkimago-onderzoek kan missen?
Een klassieke vragenlijst vraagt vaak hoe goed een merk op vooraf gekozen eigenschappen scoort. Dat kan nuttige informatie opleveren. Maar wie alleen eigenschappen als 'modern', 'betrouwbaar' en 'duurzaam' voorlegt, stuurt ook welke woorden in de antwoorden terechtkomen. De gekozen lijst kan het onderscheid onbedoeld wegpoetsen.
Associatieonderzoek begint daarom bij de betekenis die de doelgroep zelf oproept. Welke woorden, beelden, situaties, verwachtingen en gevoelens verschijnen spontaan? Welke associaties worden pas na een hint genoemd? Welke koppelingen bestaan er tussen de associaties onderling? En verschuift het beeld wanneer je het merk laat zien, de naam noemt of het product in een concreet gebruiksmoment plaatst?
In de wetenschappelijke literatuur introduceren John en collega's brand concept maps: een methode waarmee consumenten verbindingen tussen merk en associaties kunnen tekenen en onderzoekers daaruit gedeelde patronen kunnen samenvatten [2]. Zo'n netwerk kan bijvoorbeeld laten zien dat 'betrouwbaar' bij merk A direct aan 'lange levensduur' is verbonden, terwijl dezelfde term bij merk B via 'snelle service' betekenis krijgt. Hetzelfde woord hoeft dus niet dezelfde mentale structuur te betekenen.
Een expliciete kaart is niet hetzelfde als een impliciete associatiemeting. Reactietijdonderzoek kan, bij een passende en zorgvuldig ontworpen taak, aanvullende informatie geven over relatieve automatische koppelingen. Dat levert geen rechtstreeks kijkje in het brein op, geen universele merkwaardescore en geen automatische aankoopvoorspelling. Kies de methode op basis van de vraag, niet omdat een techniek indrukwekkend klinkt. Meer over die benadering staat bij de onderzoeksmethoden van Neurofactor.
Zes vragen voor een bruikbare concurrentieanalyse
1. Welke merken zijn daadwerkelijk alternatieven in de keuze?
Niet iedere speler die intern als concurrent wordt genoemd, zit in het mentale keuzeveld van de klant. Begin met de situaties waarin iemand gaat zoeken of kopen. Welke merken komen dan spontaan in gedachten? Welke alternatieven vergelijkt iemand in werkelijkheid? Onderzoek dus de echte keuzeverzameling, niet alleen het lijstje uit de bestuurskamer.
2. Wat komt spontaan op en wat alleen na hulp?
Meet spontane associaties vóór je mensen woorden voorschotelt. Gebruik daarna eventueel een gestructureerde lijst om meer specifieke hypothesen te toetsen. Scheid die uitkomsten in de rapportage. Een spontaan genoemde associatie en een aangekruiste eigenschap zijn twee verschillende signalen.
3. Hoe sterk, gunstig en herkenbaar is de koppeling?
Kijk naar meer dan het percentage mensen dat een woord noemt. Is de associatie relevant en positief in deze keuzecontext? Wordt zij door meerdere doelgroepen gedeeld? Komt zij direct bij het merk op of pas na een reeks aanwijzingen? En schrijven mensen het voordeel daadwerkelijk toe aan het juiste merk? Sterkte, waardering, herkenning en exclusiviteit zijn verschillende dimensies.
4. Hebben kopers, niet-kopers en doelgroepen hetzelfde netwerk?
Bestaande klanten hebben meer ervaringen met een merk dan mensen die het merk amper kennen. Dat beïnvloedt wat zij noemen. Een vergelijking waarin het eigen klantenbestand tegenover een gemengde marktsteekproef staat, kan een kunstmatig verschil creëren. Vergelijk waar mogelijk dezelfde doelgroep, dezelfde bekendheidsniveaus en dezelfde keuzecontext. Toon segmentverschillen met voldoende waarnemingen en voorkom uitspraken over kleine subgroepen.
5. Wanneer krijgt een associatie betekenis?
Een associatie is vaak situatiegebonden. 'Gemak' kan voor een zakelijke klant minder administratietijd betekenen, terwijl een consument vooral denkt aan onmiddellijk gebruik. Meet daarom verschillende, herkenbare keuzemomenten: oriënteren, vergelijken, proberen, aanschaffen en opnieuw kiezen. Het maakt verschil of iemand een fiets koopt voor woon-werkverkeer of voor lange tochten.
6. Welke associatie kan een merk geloofwaardig waarmaken?
Een aantrekkelijk woord is nog geen houdbare positionering. Als consumenten 'persoonlijk contact' waarderen maar de organisatie nauwelijks bereikbaar is, wordt de belofte ongeloofwaardig. Koppel iedere kandidaat-associatie aan controleerbaar productbewijs, merkervaring of gedrag van de organisatie. Anders vergroot communicatie mogelijk juist de afstand tussen verwachting en ervaring.
Fictief praktijkvoorbeeld: twee fietsmerken, bijna dezelfde woorden
Stel dat twee fictieve fietsmerken in een verkennend onderzoek worden vergeleken. Beiden worden omschreven als 'degelijk', 'vrijheid', 'duurzaam' en 'comfortabel'. Een oppervlakkige conclusie zou zijn dat hun positionering niet werkt en dat er snel een nieuw merkverhaal moet komen.
Maar onderzoek verder. In een gesprek over lange recreatieve tochten verbindt een deelnemer 'comfort' aan de zekerheid dat je ook na uren prettig rijdt. In een gesprek over dagelijks woon-werkverkeer betekent 'comfort' juist dat een fiets snel beschikbaar is en weinig onderhoud vraagt. Het woord is hetzelfde. De toepassing, het gevoel en het bewijs erachter verschillen.
Dat leidt tot twee mogelijke, nog te toetsen boodschappen. Merk A zou zijn ontwerpkeuzes kunnen tonen voor ontspannen lange ritten; merk B zou kunnen laten zien hoe eenvoudig een drukke werkdag met zijn fiets verloopt. De merken hoeven dan niet opnieuw te worden uitgevonden. Wel moeten hun bestaande voordelen worden verbonden aan een betekenis die klanten herkennen en kunnen controleren.
De volgende test vergelijkt drie soorten stimuli: een anonieme productbeschrijving, dezelfde beschrijving mét merk en een herkenbare gebruikssituatie mét merk. Vraag niet alleen welke propositie aantrekkelijk klinkt. Onderzoek of de bijbehorende associatie aan het juiste merk wordt gekoppeld, welk alternatief men overweegt en wat er in een realistische keuze verandert. Een onderzoeker kan dat aanvullen met gecontroleerde voorkeurstests of feitelijke gedragsdata. De genoemde fietsen, inzichten en aanpak zijn uitsluitend een fictief voorbeeld, geen Neurofactor-klantonderzoek of gemeten resultaat.
Afbeelding
Het verschil tussen relevant onderscheid en herkenbare merkcodes
Twee begrippen lopen in discussies over positionering vaak door elkaar.
Betekenisvol onderscheid is een door de doelgroep ervaren verschil dat in een bepaalde situatie een reden kan zijn om voor een merk te kiezen. Bijvoorbeeld: aantoonbaar minder implementatierisico voor een beslisser die daar zwaar op weegt.
Onderscheidende merkcodes zijn signalen waarmee mensen een merk kunnen identificeren: kleuren, vormen, naam, geluid of een herkenbare beeldtaal. Zo'n signaal hoeft op zichzelf geen aankoopvoordeel te zijn. Het kan vooral zorgen dat de communicatie bij de juiste afzender terechtkomt.
Beide kunnen nuttig zijn. Maar onderzoek van Romaniuk en Gaillard laat zien dat unieke merkassociaties op zichzelf niet vanzelf een hogere voorkeur of merkprestatie betekenen [4]. Het is dus te simpel om te stellen dat elk merk één exclusieve kernassociatie móét bezitten. Het zakelijke doel is niet uniek klinken. Het doel is vaker herkend, overwogen en gekozen worden op momenten die ertoe doen.
Daarom kan een betere aanbeveling soms zijn: stop met telkens een nieuwe campagnebelofte en maak eerst je bestaande merk herkenbaarder. In een andere situatie is de herkenning prima, maar ontbreekt een werkelijk relevant voordeel. Dan moet de organisatie naar het aanbod of de bewijsvoering kijken.
Van associatiediagnose naar vier verschillende keuzes
Keuze 1 - Versterk categorievoorwaarden. Wanneer het merk niet geloofwaardig is op de basisverwachtingen, heeft een exclusieve boodschap weinig zin. Laat zien dat de kernprestatie klopt: duidelijke service, kwaliteit, veiligheid of professionele uitvoering. Meet daarna opnieuw of de merkassociaties op dit fundament verbeteren.
Keuze 2 - Maak een relevant verschil concreet. Wanneer een bestaand productvoordeel wel belangrijk is maar niet wordt herkend, verander dan niet zomaar het logo. Vertaal het voordeel naar de keuzevraag en bewijs het met ervaring, demonstratie, uitleg of data. Vergelijk of de boodschap voor de juiste doelgroep werkelijk beter landt.
Keuze 3 - Versterk herkenning en merktoeschrijving. Wanneer mensen de reclame of het gevoel onthouden maar niet de afzender, werk dan consistenter met onderscheidende merkelementen. Onderzoek of mensen de merkcodes correct herkennen, ook zonder expliciete merknaam.
Keuze 4 - Vergroot mentale aanwezigheid in keuzemomenten. Wanneer de propositie past maar het merk bij een relevante aankoopvraag niet opkomt, verbind het dan vaker met die situatie. Dat kan communicatie, distributie en fysieke beschikbaarheid betreffen. Een sterk associatief profiel helpt weinig wanneer een klant het merk op het moment van kiezen niet overweegt of niet kan kopen.
Deze routes zijn geen stappen die ieder merk verplicht achter elkaar moet doorlopen. Ze volgen uit verschillende diagnoses. Soms moet de organisatie de merkbelofte aanpassen. Soms het product verbeteren. Soms hoeft er inhoudelijk niets nieuws te worden beloofd.
Hoe test je of de gekozen aanpak werkt?
Een associatiekaart is een diagnose, geen effectbewijs. Spreek bij een positionerings- of herkenbaarheidsaanpak vóór de productie af wat de interventie moet veranderen. Kies daarbij minimaal drie niveaus:
Bij een creatieve test kun je deelnemers willekeurig verschillende, zo gelijk mogelijke uitingen tonen. Gebruik een vergelijkbare controlegroep, randomiseer waar haalbaar, leg vooraf de hoofduitkomst vast en vergelijk dezelfde doelgroep. Test logoherkenning niet alleen bij vaste gebruikers, en meet koopintentie niet alsof het al een aankoop is. Wanneer je echte verkoopcijfers gebruikt, moet je ook rekening houden met prijswijzigingen, beschikbaarheid, seizoen en promoties.
Wie het onderzoek beperkt tot één positieve score na een campagne, loopt het risico een goed gevoel te verwarren met een commercieel effect. De zakelijke beslissing is uiteindelijk hoeveel herkenning, relevante betekenis en echt keuze-effect een investering oplevert.
Merkherkenning
- Wat je meet
- Correcte herkenning en toeschrijving van beeld, geluid, verpakking of boodschap
- Wat je wel en niet concludeert
- Laat zien of de afzender duidelijk is, niet of mensen gaan kopen.
Associatieve verandering
- Wat je meet
- Spontane en eventueel impliciete koppelingen in een gedefinieerde doelgroep
- Wat je wel en niet concludeert
- Laat zien of de bedoelde betekenis sterker of anders wordt, niet automatisch waarom.
Keuze en gedrag
- Wat je meet
- Overweging in concrete scenario's, proefgedrag, conversie of echte verkoop
- Wat je wel en niet concludeert
- Laat zien of de keuze verschuift; een oorzakelijk effect vraagt een goede controlegroep of vergelijkingsopzet.
Wat betekent dit voor een marketingteam of CMO?
Begin niet automatisch met de opdracht: 'We moeten ons scherper onderscheiden.' Daarmee ligt de creatieve oplossing al vast voordat het probleem is begrepen. Stel eerst scherpere vragen:
- Positionering: vinden klanten ons hetzelfde als de concurrent omdat zij dezelfde basisbehoeften beoordelen, of omdat wij geen relevant voordeel laten zien?
- Campagne: onthouden mensen een mooie claim, of wordt die claim correct aan ons merk gekoppeld?
- Merkidentiteit: versterken onze herkenningsmiddelen het geheugen, of wisselen we ze zo vaak dat iedere campagne opnieuw moet beginnen?
- Segmentatie: waar bestaan verschillende keuzevragen die een andere propositie rechtvaardigen, en waar lijken doelgroepen juist sterk op elkaar?
- Conversie: is het probleem een zwakke merkassociatie, een ontbrekend bewijsstuk, prijs, distributie of frictie in het proces?
- Onderzoeksbudget: welke beslissing verandert daadwerkelijk als de associatiekaart een bepaald patroon laat zien? Als daar geen antwoord op is, is de onderzoeksvraag nog niet scherp genoeg.
In de toepassingen van Neurofactor staat de gedragsvraag centraal. Dat is hier precies de juiste volgorde: van het keuzeprobleem naar de benodigde onderzoeksmethode, en pas daarna naar een oplossing.
Wat onderzoek wel en niet kan bewijzen
De associatieve netwerken uit merkonderzoek geven geen directe toegang tot alle mentale processen. Een expliciet antwoord kan beïnvloed worden door taal, geheugen, kennis en de vooraf gegeven opties. Een impliciete taak meet een specifieke respons onder specifieke omstandigheden. En een associatieverschil is niet per definitie de oorzaak van een aankoop.
Verder zijn bekende en grote merken vaak bij meer mensen en in meer situaties beschikbaar in het geheugen. Zonder rekening te houden met bekendheid, gebruik en category entry points kan een verschil in aantallen genoemde associaties ten onrechte als een sterke positionering worden uitgelegd. Romaniuk en Sharp onderzochten verbanden tussen merkpercepties en loyaliteit en vonden geen simpele regel waarbij een specifiek attribuut of unieke positie loyaliteit garandeert [5].
Voor Neurofactor betekent dat: start bij een goede associatiediagnose, maar combineer waar relevant met expliciete voorkeuren, kwalitatieve verdieping, gedrags- of verkoopdata en gecontroleerde tests. Gebruik EEG of eye tracking alleen wanneer aandacht of responsdynamiek werkelijk onderdeel van de onderzoeksvraag is. Geen enkele methode levert een universele 'koopknop' of zelfstandig sluitend bewijs van merksucces.
Conclusie: niet ieder gedeeld gevoel is een probleem
Twee concurrerende merken voelen voor klanten soms hetzelfde omdat zij in de keuzecontext dezelfde mentale betekenis oproepen. Soms is dat onnodige uitwisselbaarheid. Soms zijn het juist de gedeelde verwachtingen die de categorie herkenbaar maken.
De winst zit daarom niet in het koste wat kost verzinnen van een exclusieve merkassociatie. Onderzoek welke betekenissen klanten delen, welke verschillen zij werkelijk herkennen en wat hen op een concreet keuzemoment voor het ene merk laat kiezen. Pas daarna beslis je of je een productvoordeel scherper moet bewijzen, je merkcodes moet versterken of simpelweg vaker aanwezig moet zijn waar de keuze ontstaat.
Begrippen
- Merkassociatie
- een betekenis, verwachting, herinnering, beeld of gevoel dat iemand in een bepaalde context aan een merk koppelt.
- Associatienetwerk
- een structuur van onderling verbonden associaties rond een merk; zowel de termen als de relaties ertussen kunnen informatief zijn.
- Categorievoorwaarde
- een eigenschap of verwachting die een doelgroep als min of meer noodzakelijk ziet om een merk in een productcategorie serieus te nemen.
- Betekenisvol onderscheid
- een door de doelgroep ervaren verschil dat in een bepaalde keuzecontext een reden kan zijn om het ene merk te verkiezen.
- Onderscheidende merkcodes
- visuele, auditieve of verbale signalen die helpen een merk te herkennen en communicatie eraan toe te schrijven.
- Mentale beschikbaarheid
- de mate waarin een merk opkomt in het geheugen wanneer iemand zich in een relevante koop- of gebruikssituatie bevindt.
Veelgestelde vragen
Waarom lijken merkassociaties van concurrenten vaak op elkaar?
Omdat merken dezelfde categorievoorwaarden delen en hun communicatie vaak rond vergelijkbare woorden, voordelen en verwachtingen bouwen. Ook kan een werkelijke productverschil onvoldoende aan een merk worden gekoppeld. De oorzaak moet per doelgroep en keuzemoment worden onderzocht.
Is het slecht als twee merken allebei aan kwaliteit worden gekoppeld?
Nee. Kwaliteit kan een noodzakelijke categorievoorwaarde zijn. Het wordt pas een relevant vraagstuk wanneer klanten in een concreet keuzemoment geen reden meer zien om het ene merk boven het andere te overwegen.
Hoe meet je of merken mentaal uitwisselbaar zijn?
Vergelijk spontane en geholpen associaties, merktoeschrijving, herkenning en de werkelijke overwegings- of keuzecontext. Voeg zo mogelijk gedragsdata toe. Alleen twee woordenlijsten naast elkaar leggen is onvoldoende.
Wat is het verschil tussen merkdifferentiatie en distinctive brand assets?
Merkdifferentiatie gaat over een door de klant ervaren inhoudelijk of relevant verschil. Distinctive brand assets zijn herkenningssignalen, zoals kleur, vorm, naam of geluid, die een merk identificeerbaar maken. Beide hebben een andere functie.
Kun je met impliciet associatieonderzoek koopgedrag voorspellen?
Een goed ontworpen impliciete taak kan aanvullende informatie geven over relatieve automatische koppelingen. De uitkomst is geen rechtstreekse aankoopvoorspelling. Voor uitspraken over keuze of verkoop zijn extra validatie en gedragsmetingen nodig.
Moet een merk altijd een volledig unieke associatie hebben?
Nee. Onderzoek laat zien dat merken kunnen concurreren en verkopen ondanks beperkte waargenomen differentiatie. Het gaat om geloofwaardige categorieprestaties, herkenning, relevante keuzeverschillen en beschikbaarheid op de momenten waarop mensen kiezen.
Bronnen
- 1.Conceptualizing, Measuring, and Managing Customer-Based Brand Equity - Journal of Marketing (1993)
- 2.Brand Concept Maps: A Methodology for Identifying Brand Association Networks - Journal of Marketing Research (2006)
- 3.Evidence concerning the importance of perceived brand differentiation - Australasian Marketing Journal (2007)
- 4.The relationship between unique brand associations, brand usage and brand performance: analysis across eight categories - Journal of Marketing Management (2007)
- 5.Measuring brand perceptions: Testing quantity and quality - Journal of Targeting, Measurement and Analysis for Marketing (2003)
Gecontroleerd door: Martijn den Otter · Laatst gecontroleerd: 30-10-2026
Martijn den Otter
Oprichter van Neurofactor. Expert in neuromarketing en consumentenpsychologie.
LinkedIn →